Verbes

Tegenwoordig en verleden deelwoord: onwerend; geönweerd
Presens: ---, ---, onweert ---, ---, ---
Imperfect: ---, ---, onweerde ---, ---, ---
Toekomende tijd I: ---, ---, zal onweren ---, ---, ---
Conditionalis I: ---, ---, zult onweren ---, ---, ---
Perfectum: ---, ---, heeft geönweerd ---, ---, ---
Voltooid verleden tijd: ---, ---, had geönweerd ---, ---, ---
Toekomende tijd
© dictionarist.com