"fietsen" Français traduction et exemple de phrases

fietsen en Français

prononciation
(fiets) pédaler
Partager cette page
Dictionary Extension
Synonymes
1. karren: toeren, trappen
2. rijden
3. presteren
Verbes
Tegenwoordig en verleden deelwoord: fietsend; gefietst
Presens: fiets, ~t, ~t (4e - 6e pers.) ~en
Imperfect: (1e - 3e pers.) ~te (4e - 6e pers.) ~ten
Toekomende tijd I: zal ~en, zult ~en, zal ~en (4e - 6e pers.) zullen ~en
Conditionalis I: (1e - 3e pers.) zou ~en (4e - 6e pers.) zouden ~en
Perfectum: heb gefietst, hebt gefietst, heeft gefietst (4e - 6e pers.) hebben gefietst
Voltooid verleden tijd: (1